Accreditatiestelsel in beweging

Sinds najaar 2020 komen er regelmatig berichten in het (onderwijs)nieuws die hinten op -alweer- een wijziging in het stelsel van opleidingsaccreditaties. In 2018 was er al een aanpassing ingegaan waarbij het uitganspunt is dat er meer verantwoordelijkheid ligt bij de instellingen zelf zodra zij een instellingstoets kwaliteitszorg met succes hebben doorlopen (vanaf dat moment is ‘bewezen vertrouwen’ de basis voor visitatie).

Bewezen vertrouwen

Het idee van bewezen vertrouwen is dat opleidingen (en instellingen) minder regeldruk zouden hebben bij de voorbereiding voor een opleidingsvisitatie. In dit systeem sinds 2018 is er daarnaast ook meer ruimte voor medezeggenschap en is er bijv. ook het studentenhoofdstuk toegevoegd aan de kritische reflectie. Daarnaast was een opvallende aanpassing de wijziging in oordeelmogelijkheden. Hierdoor kunnen opleidingen alleen Positief of Negatief als eindoordeel krijgen, in tegenstelling tot Onvoldoende-Voldoende-Goed-Excellent, wat het daarvoor was.

Allemaal onder het mom van: als instelling heb je bewezen dat je interne kwaliteitszorgsysteem op orde is, want je hebt een instellingstoets behaald. Als NVAO hoeven we dat dus niet meer te toetsen, en in ruil daarvoor bieden we je een beperkte opleidingsbeoordeling. Op papier leek het een mooi systeem, maar in de praktijk bleek het laten accrediteren van een opleiding nog steeds een enorm project waar veel tijd in ging zitten. 

Volgende stap

De ervaring leert ons dus dat het huidige stelsel de regeldruk onvoldoende heeft doen afnemen. Willen we daar wat aan doen, dan moet de instelling meer eigenaarschap krijgen over hoe de kwaliteitsborging en -toetsing van opleidingen als geheel wordt vormgegeven.

Hiermee hangt samen dat een afschaffing van een externe visitatie op opleidingsniveau zou leiden tot meer mogelijkheid tot interne dialoog tussen instelling en opleiding, gericht op de ontwikkeling van de opleiding én rekening houdend met de diversiteit van het onderwijs. Dit in tegenstelling tot een externe beoordeling die gepaard gaat met een enorm circus aan werkzaamheden en voorbereiding,

Ook zou de aanpassing van het accreditatiestelsel opleidingen kunnen bevrijden van de neiging zich in de voorbereiding al te erg af te stemmen op hoe ándere opleidingen in het cluster bijvoorbeeld hun kritische reflectie opstellen. Heb je als opleiding alleen te maken met je eigen instelling, dan kun je in overleg met elkaar een best passende (voorbereiding op de) interne beoordeling vormgeven.

Kansen

Met een afschaffing van de externe opleidingsaccreditatie kun je als instelling je kwaliteitszorgsysteem dus meer custom-made maken, en wellicht zelfs zodanig inrichten dat je bijvoorbeeld jaarlijks een iets steviger aangezet jaargesprek doet, om zo de tussentijdse opleidingsaudit en de externe visitatie toch te coveren. Je krijgt dan ook meer mogelijkheden om je systeem aan te passen op de visie en cultuur van de instelling.

Het kwaliteitszorgsysteem dat je dan als instelling bouwt, wordt vervolgens wel extern getoetst, in het kader van de Instellingstoets Kwaliteitszorg.

Bedreigingen

Er bestaat altijd de mogelijkheid dat een instelling de instellingsaccreditatie verliest. Wat betekent dit voor de opleidingen in de instelling? Waar kunnen zij dan op terugvallen? Is er dan een soort basiscontrole waarmee ze bewijzen dat ze voldoen aan de eisen van de NVAO, en als zodanig toch aanspraak kunnen maken op budgetten vanuit het ministerie?

En niet te vergeten de studenten, die ook verwachten dat ze een opleiding kunnen volgen die op zijn minst van voldoende niveau is. Ook al weet het gros van de studenten niets van een instellings- of opleidingsaccreditatie, uiteindelijk hebben ze er wel mee te maken.

NB: je zou uiteraard een veel uitgebreidere analyse kunnen maken van de kansen en bedreigingen. Dit hangt echter ook samen met de staat en flexibiliteit van je kwaliteitszorgsysteem. Daarom houd ik het hier bij de hoofdlijnen. 

En nu dan?

De minister heeft als voornemen om dit nieuwe stelsel per 2024-2025 in te laten gaan. Waarom dan? In 2024 begint er een nieuwe cyclus van de bestaande instellingstoets kwaliteitszorg. Dit is daarmee een logisch moment voor een stelselwijziging. Dat betekent dat je als instelling vanaf nu nog zo’n drie jaar hebt om je voor te bereiden op deze omslag.

Concreet kun je dan bijvoorbeeld kijken naar:

  • Hoe ziet onze interne kwaliteitscultuur eruit, op instellingsniveau en daaronder ook op het niveau van de faculteiten of instituten? Hebben die allemaal een vergelijkbaar kwaliteitszorgsysteem? Wat kunnen we daarin synchroniseren?

  • Wat voor kaders willen we als instelling zetten waarbinnen we de kwaliteit van onze opleidingen borgen? Wanneer voldoet een opleiding aan de kaders en wanneer niet? Belangrijk hier is: verminderde regeldruk! Zoek naar manieren om de bestaande infrastructuur van checks-and-balances in dienst te stellen van je grote plaatje.

  • Welke piketpaaltjes wil je slaan op de tijdlijn van vandaag tot aan 2024? Wat moet er gebeuren, en in welke volgorde? Moeten er projectgroepen opgezet worden, en welke gremia betrek je daarin (en wanneer)? Waar is de medezeggenschap aan zet? Zodra je je komende drie jaar in kleinere stukken hebt opgedeeld, kun je gericht gaan werken aan de diverse doelstellingen.

Een hoop dus om over na te denken!  

Behoefte aan iemand die met je meekijkt? Neem contact op. 

Wil je de brief van de minister (feb, 2021) over de vernieuwde instellingsaccreditatie zelf lezen? Hier kun je hem vinden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.